Eigendomsvoorbehoud, pandrecht en faillissement.

Nieuws

Harm van Lingen
28 september 2016
Ondernemings- en Faillissementsrecht, Vastgoed- en Huurrecht


Stel: bedrijf A koopt bij B een machine voor zijn bedrijf voor € 100.000. A betaalt € 80.000,=. In de algemene voorwaarden van B staat (zoals gebruikelijk) dat er een eigendomsvoorbehoud geldt zolang er niet volledig is betaald. Dus: A is nog geen (volledig) eigenaar zolang er nog niet volledig is betaald. Ook niet ongebruikelijk is dat A ook een financieringsovereenkomst aangaat bij de bank of bij de moedermaatschappij. Zoals gebruikelijk bedingt de bank (of moedermaatschappij) zekerheden, waaronder een pandrecht op alle voorraden, machines en inventaris. Ook op de zaken die onder opschortende voorwaarden zijn geleverd en op voorwaardelijke eigendommen (zoals die van de machine) van A. Vervolgens gaat A failliet. De wet (art. 35 Faillissementswet) bepaalt dat als op het moment van faillissement nog niet alle handelingen, die voor de levering van de eigendom of het vestigen van een pandrecht nodig zijn, verricht zijn, die levering of het vestigen van dat pandrecht niet meer kan, vanwege het faillissement. Zolang de resterende € 20.000 niet betaald wordt, is B (o.g.v. het eigendomsvoorbehoud) eigenaar van de machine. Maar: wat geldt er nu als die € 20.000 (eventueel met rente) wel alsnog wordt betaald door de bank (of moedermaatschappij). B is dan volledig voldaan en is dus zijn eigendom(svoorbehoud) kwijt. Wie is dan gerechtigd tot de machine: de curator (ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers) of de bank (of moedermaatschappij) ? De curator stelt dat de eigendom tot het moment van de betaling van de € 20.000 bij B lag en dat pas op het moment van die betaling de eigendom bij A komt te liggen. Pas op dat moment zou er een (volledig rechtsgeldig) pandrecht op gevestigd hebben kunnen worden, maar dat kon nu juist niet meer omdat A al failliet was (35 Fw).   Aldus  de  curator. De  rechtbank  en het  Hof waren  het  met  de  curator  eens.     De  Hoge  Raad in een uitspraak van 3 juni 2016 ( ECLI:NL:HR:2016:1046 ) echter niet. Volgens de HR kan er op een voorwaardelijk eigendomsrecht een voorwaardelijk pandrecht gevestigd worden dat, door de slotbetaling, volledig eigendom en dus ook een volledig pandrecht oplevert. De bank (of moedermaatschappij) heeft dus wel degelijk een rechtsgeldig pandrecht op de machine en heeft daarmee dus een veel sterkere positie in het faillissement. Zoals ik in het voorgaande al aangaf is dit niet alleen nuttig voor de banken in Nederland, maar ook voor alle moedermaatschappijen die een financiering hebben gegeven aan een dochtermaatschappij en daarbij een pandrecht bedongen hebben. Betaling van het restantbedrag van de koopprijs (in het voorbeeld € 20.000,=) aan de verkoper kan dan aan te bevelen zijn, want daarmee wordt een pandrecht verkregen op de machine ter waarde van (mogelijk nog wel tegen de) € 100.000. Indien u n.a.v. het voorgaande nader advies wilt hebben dan kunt u contact opnemen met: Mr. H. (Harm) van Lingen, advocaat aansprakelijkheidsrecht; via harmvanlingen@knuwer.nl of via 072-5127117 of met één van de andere advocaten van de sectie ondernemingsrecht van Knuwer advocaten.