Partneralimentatie: er is behoefte aan een bijdrage?

Nieuws

Eveline Dirks
23 november 2015
Familie-, Jeugd- en Erfrecht


Partneralimentatie: er is behoefte aan een bijdrage? Door een huwelijk ontstaat er een lotsverbondenheid. Deze lotsverbondenheid vormt de basis voor de onderhoudsverplichting in de vorm van partneralimentatie. Partneralimentatie wordt gebaseerd op de behoefte van de ontvanger (wat is er ieder maand nodig om in de kosten te voorzien) en de draagkracht van de betaler (wat kan deze betalen). In de praktijk wordt er zeer regelmatig gewerkt met de zogenaamde ‘Hofnorm’. De behoefte wordt bepaald door 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk minus de kosten van de kinderen. De hofnorm is niet altijd representatief voor de hoogte van de behoefte, zodat ook wordt gewerkt met behoeftelijsten: een overzicht van de inkomsten en uitgaven waaruit een tekort blijkt. Het tekort betreft de behoefte aan een partneralimentatie. De alimentatieduur bedraagt op basis van de wet 12 jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Men heeft de mogelijkheid om de rechter te vragen deze duur te verkorten (limiteren), bijvoorbeeld omdat van de ontvanger kan worden verlangd op enig moment in het eigen onderhoud te voorzien. Recent zijn er twee opvallende uitspraken geweest over de limitering van de duur van de partneralimentatie. Het gerechtshof Den Haag heeft op 30 september 2015 beslist dat de huwelijksgerelateerde behoefte afneemt door de tijdsduur na de scheiding. De vrouw had niet (meer) de zorg over minderjarige kinderen. Naarmate partijen langer uit elkaar zijn, heeft dit tot gevolg dat de lotsverbondenheid afneemt en dat van de ontvanger verwacht mag worden dat zij zich zal inspannen om in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Het hof is niet gebleken dat de vrouw de afgelopen 10 jaar constructieve pogingen heeft gedaan om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Het had op de weg van de vrouw gelegen inzicht te geven in de pogingen die zij vanaf 2007 heeft ondernomen om de echtscheiding te verwerken en om haar reïntegratieproces in te zetten. Daarnaast heeft de vrouw op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt op welke wijze zij heeft geprobeerd haar uitgavenpatroon aan te passen. Naar het oordeel van het hof is er geen rechtsgrond aan te voeren op grond waarvan de vrouw gedurende een periode van 12 jaar aanspraak kan maken op een alimentatie die is gebaseerd op de huwelijkse staat. Het hof stelt de minimum behoefte van de vrouw na het verstrijken van de 12-jaarstermijn vast op een bedrag gelijk aan het minimumloon, te weten € 1.507,80 bruto per maand. Tot het einde van de termijn verlaagt het hof de behoefte stapsgewijs. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 22 oktober 2015 beslist dat er geen alimentatie (meer) verschuldigd is omdat (1) uit het huwelijk geen kinderen zijn geboren, (2) de ontvanger ook tijdens het huwelijk werkte, (3) partijen al bijna 13 jaar uit elkaar waren op het moment van de beslissing, (4) er sinds het uit elkaar gaan geen partneralimentatie is betaald. Het hof stelt dat ten tijde van het indienen van het verzoek niet meer gesproken kan worden over een lotsverbondenheid tussen partijen waarop een alimentatieverplichting kan worden gebaseerd. Daar komt bij dat de ontvanger al 13 jaar in het eigen onderhoud heeft kunnen voorzien en niet is gebleken dat er nog behoefte bestaat aan een bijdrage. Mocht u nadere informatie willen over dit onderwerp of een afspraak willen maken dan kunt contact opnemen met een van de leden van onze vakgroep Familierecht.

Knuwer advocaten Alkmaar: Eveline Dirks of Harm van Lingen.
Knuwer advocaten Den Helder: Nicolette Plat.

Bovengenoemde uitspraken zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl en te vinden nummer: ECLI:NL:GHARL:2015:8019 en ECLI:NL:DHDHA:2015:2744.